water beetle – het schrijverke

 

Het schrijverke

O krinklende winklende waterding,
Met ‘t zwarte kabotseken aan,
Wat zien ik toch geren uw kopke flink
Al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,
Al zie ‘k u noch arrem noch been;
Gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,
Al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
Dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
En ‘t water niet méér en verroert
Dan of het een gladdige windtje waar,
Dat stille over ‘t waterke voert.
O schrijverkes, schrijverkes zegt mij dan, –
Met twintigen zijt gij en meer,
En is er geen een die ‘t mij zeggen kan: –
Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
Gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
Geen Christen en weet er wat dat bediedt:
Och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
Of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
Of is ‘et het blauwe gewelf,
Dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
Of is het u, schrijverken, zelf?
En ‘t krinklende winklende waterding,
Met ‘t zwarte kapoteken aan,
Het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
En ‘t bleef daar een stondeke staan:
‘Wij schrijven.’ zoo sprak het, ‘al krinklen af
Het gene onze Meester, weleer,
Ons makend en leerend, te schrijven gaf,
Eén lesse, niet min nochte meer;
Wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
Niet lezen, en zijt gij zoo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
Den heiligen Name van God!’

Guido Gezelle, 1857

 

dragonfly – echte libellen

 

 

 

Deze libelle heeft blijkbaar een zwaar leven achter de rug.

 

De echte libellen of ongelijkvleugeligen (Anisoptera) zijn een infraorde van grote insecten die samen met de infraorde oerlibellen de onderorde Epiprocta vormen. De tweede onderorde binnen de orde van de libellen (Odonata) zijn de juffers. Wereldwijd zijn bijna 3000 soorten echte libellen beschreven.

Bij de echte libellen zijn de achtervleugels breder dan de voorvleugels, weerspiegeld in de naam Anisoptera (ongelijkvleugeligen). De voor- en achtervleugels zijn bij de juffers gelijk, wat ook de betekenis van de naam Zygoptera is. Ook de rustpositie is anders; juffers vouwen deze tegen elkaar achter het lichaam, echte libellen spreiden de vleugels in rust. Echte libellen zijn ware vliegkunstenaars, meer dan juffers.

Echte libellen worden over het algemeen groter (in Nederland en België van 29 tot 84 mm) dan juffers (25 tot 49 mm). De larven hebben dan ook meer tijd nodig om volgroeid te raken dan de larven van juffers. Een enkele soort kan de larvale cyclus in een paar maanden afronden, maar bij de meeste soorten overwinteren de larven 1-3 maal (5 komt echter ook voor). De imago leeft bij de ongelijkvleugeligen altijd slechts een paar weken of maanden.

Juffers zijn fijner gebouwd en ranker; het achterlijf is altijd rond en dun, bij echte libellen is het achterlijf dikker en soms plat. Ook de ogen verschillen; die van libellen zijn veel groter en raken elkaar, behalve bij de rombouten. De ogen van juffers zijn relatief minder groot en staan verder uit elkaar.

Bron: wikipedia

larva skin – larvenhuidjes

 

Ik vroeg mij af wat dit was, het bewoog niet, bleef hangen en ik wou het toch niet stuk maken. Even mijn licht opsteken bij Klaproos en ja juist, zij had er onlangs nog een blogje overgemaakt. HIER kan je de bijna hele ontwikkeling zien.

 

 

Libellen zijn fascinerende insecten. Hoewel de meeste belangstelling voor libellen uitgaat naar de vliegende imago’s, brengen libellen veruit het grootste deel van hun levenscyclus onder water door als larve. Als die het water verlaat en voor het laatst vervelt, blijft een visitekaartje achter: het larvenhuidje.

Bron: vlindernet

mating dragonflies – parende libellen (18+ 😄)

 

Ik moest twee keer kijken wat er mij voorbij gevlogen was en daar nu op de grond lag.

 

Paren
De paring verloopt bij libellen niet zachtzinnig. Vrouwtjes die zich in de buurt van het water wagen, worden direct door een mannetje gegrepen voor de paring. Dit doet hij door met zijn achterlijfsaanhangselen het vrouwtje beet te pakken bij het halsschild (juffers) of achter de kop (libellen). Vaak gaat dit gepaard met een worsteling in de lucht. Als het mannetje hierin slaagt ontstaat de zogenaamde tandempositie, waarbij het vrouwtje dus achter het mannetje aanbungelt. Samen vliegen ze verder, om de paring in bomen of in de oevervegetatie te voltooien. Bij sommige soorten wordt de paring in de lucht voltooid.

In de volgende fase van de paring ontstaat het kenmerkende, hartvormige paringsrad (ook wel copula genoemd): het vrouwtje brengt haar achterlijfspunt naar de onderkant van het achterlijf van het mannetje, vlak achter het borststuk. Hier bevindt zich namelijk het secundaire geslachtorgaan van het mannetje, waar een spermapakketje ligt opgeslagen. Dit spermapakketje heeft het mannetje zelf overgebracht van het primaire geslachtsorgaan (in de achterlijfspunt), naar het secundaire geslachtsorgaan. Als het paringsrad tot stand is gekomen vindt de uitwisseling van sperma plaats. Echter niet voordat het mannetje het sperma van een eventueel vorig mannetje uit het lichaam van het vrouwtje heeft gehaald, met behulp van een speciaal borstelvormig orgaantje in het secundair geslachtsorgaan.

Vrouwtjes lijken weerloos tegen het paringsgeweld van het mannetje, maar schijn bedriegt. Vrouwtjes die niet tot paring bereid zijn, slagen er meestal wel in om de tandempositie of copula te verbreken. Ook wanneer het sperma van een vorig mannetje wordt verwijderd, kan het vrouwtje toch een deel van het sperma achterhouden en dus bepalen welk mannetje haar eitjes bevrucht.

 

Bron: http://www.libellennet.nl

carrion crow – zwarte kraai

 

Na de (Vlaamse) gaai kwam ik een iets gevaarlijker vogel tegen en daar ze onlangs vanuit onze gemeente in het nationale nieuws kwamen, wegens aanvallen op mensen ter bescherming van hun nesten, bleef ik op mijn hoede. De vogel had echter geen slechte bedoelingen.

 

 

Kraaien leven meer solitair dan roeken en kauwen. Het zijn intelligente vogels die zich makkelijk aanpassen aan verschillende diëten; ze zijn van alle markten thuis maar wel vrij schuw en duidelijk moeilijker te benaderen dan kauwen. In kleine tuinen zal je ze niet vaak zien. Ze eten o.a. wormen, insecten, fruit, zaden, keukenafval, eieren en jonge vogels. Ze foerageren meestal in paren, meer zelden in wat grotere groepen, vooral op weide- en akkerbouwland, niet in dichtbegroeid landschap. Kraaien hebben een reputatie als jagers van kleine vogeltjes en nestenuithalers en werden om die reden in het verleden vaak genadeloos vervolgd. Er zijn meldingen van aanvallen op levende vogels (spreeuwen, houtduif en kievit) die in vlucht tot landen werden gedwongen en dood gepikt en opgegeten. Daardoor fungeren ze als een natuurlijke predator van vogelpopulaties. Het zijn ook aaseters die foerageren op doodgereden dieren langs de weg.

 

The plumage of carrion crow is black with a green or purple sheen, much greener than the gloss of the rook. The bill, legs and feet are also black. It can be distinguished from the common raven by its size (48–52 cm or 19 to 20 inches in length as compared to an average of 63 centimetres (25 inches) for ravens) and from the hooded crow by its black plumage, but there is frequent confusion between it and the rook. It has a wingspan of 84–100 cm or 33 to 39 inches. The beak of the crow is stouter and in consequence looks shorter, and whereas in the adult rook the nostrils are bare, those of the crow are covered at all ages with bristle-like feathers.

eurasian jay – (Vlaamse) gaai * 2 pic

 

Hèhè het is mij eindelijk gelukt om nog eens een vogel in de vrije natuur te fotograferen en dan nog de (Vlaamse) gaai! Ofwel zijn er dit jaar meer vogels ofwel zie ik ze beter vliegen na mijn cataract operatie :-). In elk geval kan die vogel mij qua schoonheid nog altijd bekoren.

 

De gaai is 32 tot 35 cm lang. De vogel is overwegend grijsbruin met een roze tint. De keel, onderbuik, anaalstreek, de stuit en een gedeelte van de handpennen zijn wit. Kenmerkend zijn een brede zwarte snorstreep en een blauw vleugelveld dat bestaat uit lichtblauwe veertjes met daarin een fijne, zwarte bandering. De vogel kan bij opwinding de kruinveren opzetten, deze zijn afwisselend licht van kleur met zwart.

 

 

The Eurasian jay (Garrulus glandarius) is a species of bird occurring over a vast region from Western Europe and north-west Africa to the Indian Subcontinent and further to the eastern seaboard of Asia and down into south-east Asia. Across its vast range, several very distinct racial forms have evolved to look very different from each other, especially when forms at the extremes of its range are compared.

The bird is called jay, without any epithets, by English speakers in Great Britain and Ireland. It is the original ‘jay’ after which all others are named.

raderwerk of niet? – raderwerk or not?

 

Dacht even het raderwerk van de natuur te vergelijken met dat van het menselijk lichaam. Maar bij verder wat rond surfen op het internet blijkt dat het menselijk lichaam geen raderwerk mag genoemd worden. Het menselijk lichaam leeft en daarom mag en kan men het niet zien als een machine met onderdelen en raderwerken. Zo zal het dus ook wel zijn met die mooie ‘raderwerken’ in de natuur die zo hard lijken op de verschillende vertakkingen in ons lichaam. Of ben ik aan het dromen?

 

woorden verpulverd tot graan – words crushed to grain

 

 

Ik heb woorden verpulverd
Tot graan en verpletterd
Gezaaid in vruchtbare aarde
Alles wat ik nu nog doe is
Wachten op resultaat
Wachten en hopen
Dat het woord
Wortels schiet
En zichzelf verder draagt.

@Edith Oeyen

 

waterlelie – water lily

 

Zachtjes deinend op het water
Ontsluit zij traag haar schoonheid
Gelijk met de eerste zonnestralen
Haar hele pracht en openheid
Bewaart zij voor de dag iets later

Dan in al haar kwetsbare schoonheid
Laat ze haar hele pracht ontluiken
Haar hart vol stuifmeelstampers
Voor snoepers die haar ongezien ruiken
Gulzig smullend van haar heerlijkheid

Genietend denkt ze “mijn soort blijft nu
bestaan, al zal ík in de herfst heengaan”

 

@Janna Nendels