Ronse en de fabriekssteegjes

De textielnijverheid is reeds in Ronse sedert de 13de eeuw. Het werd een belangrijk centrum voor de lakennijverheid. Ronse werd in de loop der eeuwen 2x platgebrand en overleefde de Tachtigjarige Oorlog. Toen België ontstond begin de 19de eeuw werkte meer dan de helft van de bevolking in de textielindustrie. Na een dipje werd er opnieuw uitgepakt met een explosieve groei vanaf 1870. Na de Tweede Wereldoorlog ging het bergaf tot er vandaag niets meer is van overgebleven. Althans toch niet van de industrie want naast die vele mooie woningen heeft Ronse ook nog fabriekssteegjes.


Toen de textielindustrie zo sterk groeide kon Ronse zijn vele inwoners nog amper huisvesten. Er werden dan maar huisjes gebouwd in de tuinen van andere woningen. Die steegjes werden verbonden via een smal pad en poortje met de straat. In die steegjes was er slechts één toilet voor alle inwoners en veelal was er maar op één plaats stromend water.

Dit is het Barasteegje (alle foto’s) en je hebt ook nog het Willocqsteegje.

Ronse, dansende stenen, art deco en art nouveau

Vertrekkend van de Kleine Markt waar ik een lekkere croque monsieur gegeten heb en een paar cola lights gedronken heb, vertrek ik verder meer richting het centrum. Ik draai me om, nog even een blik werpend op die imposante kerk.

Door een klein straatje stap ik verder naar de Wijnstraat. Mijn oog valt op een etalage waar de gordijnen afgelaten zijn voor de zon. Half onder de gordijn piept een oud karretje uit. Ik kan er nog net een foto van maken.

Op een klein zijpleintje:

In de Wijnstraat wandel ik links verder naar de Rooseveltplaats met de fontein: de dansende stenen op het water.

Dit is altijd een zeer centrale plaats geweest in Ronse. Hier was een kruispunt van handelswegen die de reizigers naar Ath, Saint-Sauveur, Oudenaarde en Gent bracht. Dit plein was daardoor eveneens een marktplaats en op de plaats van de fontein lag een waterplas om de paarden toe te laten even te drinken. Daarom noemen de Ronsenaars dit de ‘plas’. De kunstenaar Christian Tobin wil met dit kunstwerk water en verleden verenigen.

Ronse heeft een grote welvaart gekend eind 19de eeuw tot halfweg vorige eeuw door de textielindustrie. De textielbaronnen bouwden grote villa’s en herenhuizen. Daarbij werden uiteraard trends en modegrillen gevolgd. Vanaf 1880 tot aan de Eerste Wereldoorlog was art nouveau toonaangevend in de architectuur van de begoede klasse. En dat merk je in de Wijnstraat. Het grote herenhuis op het nummer 8 en 10 heeft typische elementen uit de art nouveau: sierlijke tegeltableaus in faience. De symbolen die hierin werden opgenomen zijn verbonden met handel en nijverheid. Kenmerkend voor art nouveau is het wegvallen van symmetrie, grote glaspartijen en kleurrijke, sierlijke ornamenten. Victor Horta was de grondlegger van deze vorm van architectuur.

Tussen de twee wereldoorlogen, de interbellum-periode, maakte art deco zijn opwachting. Strakke lijnen, geen overbodige decoraties, exclusieve en duurzame materialen in een combinatie van cement met baksteen. In de Forstierlaan staan een paar huizen die art deco elementen bevatten.

Even een verfrissing nemen.

Wil je het mooiste voorbeeld zien van art deco in Ronse? Dan vervolg je de Gefusilleerdenlaan.
Aan het grote kruispunt ga je de betonnen brug over. De brug dateert van 1920 en is een van de eerste betonnen constructies van België.

Zo’n 150 meter verder in de Saint-Sauveurstraat zie je links het mooiste voorbeeld van art deco. De woning toont je enkele typische kenmerken van art deco: trapkoker, strakke lijnen, cement gecombineerd met baksteen en veel glas.

Na het bekijken van het huis keren we op onze stappen terug over de brug.