Patershol te Gent

Het Patershol (ongeveer 4,5 ha groot) is een oude wijk in het historische centrum van Gent. Het was in oorsprong een grafelijk militair gebied, eigendom van de graven van Vlaanderen. Op het einde van de 13de eeuw, toen de paters geschoeide karmelieten – een “bedelorde” ontstaan in het Midden-Oosten – er zich hadden gevestigd, werd het gebied aan het schependom van Gent toegevoegd.

In de 15de eeuw wordt de Raad van Vlaanderen in het Gravensteen ondergebracht. In het vroegere grafelijke gebied – nu Patershol – vestigden zich procureurs, advokaten en deurwaarders, die werkzaam waren bij de Raad. Ze werden gevolgd door middenstanders en ambachtslieden (o.a. leerbewerkers die voor het looiproces gebruik maakten van de talloze grachten in de buurt).

De aanwezigheid van deze gegoede burgerij – die reeds vroeg duurzaam bouwde (de meeste huizen waren opgetrokken in baksteen) – maakte het Patershol tot een voorname buurt die tot ruim in de 18de eeuw het miljoenenkwartier van Gent genoemd werd.

In de eerste helft van de 19de eeuw, bij het begin van de industrialisatie vestigden zich fabrieken in ruimtes die vrijgekomen waren tengevolge van de nieuwe politieke situatie (de overgang van het “Ancien Regime” naar het “Nouveau Regime”).Een groeiend aantal inwijkelingen werd tewerkgesteld in de uitgebreide industrie binnen de stadswallen, wat een woningtekort veroorzaakte. Ingesloten gronden en erven werden bebouwd wat leidde tot een enorme verdichting van het stadsweefsel.

Deze evolutie had voor gevolg dat op vrij korte tijd de wijk Patershol veranderde van patriciersbuurt naar arbeiderswijk. Zo werd ook het Gravensteen uitgebouwd als industriele site, en volgde de buurt in deze metamorfose. Brede panden werden gesloopt of opgedeeld in smalle wooneenheden en meerkamer-woningen. Dat leidde tot het ontstaan van “kwartier-woningen” en “beluiken” die men massaal aantrof binnen de gehele bebouwde oppervlakte van het 19de eeuwse stadsweefsel.Waar het fenomeen “beluik” en “kwartierwoning” op het einde van de 19de eeuw voor het grootste deel van het Gentse grondgebied ophield te bestaan, bleef dit in de wijk Patershol doorleven tot halfweg de 20ste eeuw.

Door de geslotenheid van het gebied (het middeleeuws stratenpatroon), de verkeersassen die het gebied omsluiten, het verval van de buurt na de eerste wereldoorlog en een gebrek aan visie van de overheid na de tweede wereldoorlog, bleef er in een groot deel van de wijk een soort getto bestaan met een sociaal marginale identiteit. Deze toestand hield aan tot het begin van de jaren ’70.

Eind jaren zeventig trekt de wijk, juist door het behoud van het middeleeuws stratenpatroon en de aanwezigheid van woningen uit verschillende stijlperiodes met historische en artistieke waarde, de aandacht van de overheid en wordt de wijk het eerste herwaarderingsgebied van de stad Gent.

Gerichte investering van verschillende overheden en particulier initiatief doen de wijk herleven tot een aangename woonbuurt en trekt eveneens horeca aan.

In de jaren negentig wordt besloten tot een horecastop om het fragile evenwicht tussen wonen en uitgaan te behouden.

In de wijk bevinden zich eveneens het (half) gerestaureerde Caermersklooster en het Huis van Alijn.

http://www.patershol.org/gent/wat-het-patershol