lieveheersbeestjes – coccinella (5)

 

Heel lang heb ik niet beseft dat er zoveel verschil in de onze-lieve-heersbeestjes was. Ik had het idee dat ze allemaal gelijk waren… Pas toen ik ze begon te fotograferen zag ik dat ze verschilden van kleur en aantal bollekes… Nooit te oud om te leren 🙂

Onlangs las ik dat een blogster zichzelf heeft uitgedaagd om de 24 verschillende soorten te fotograferen. Ik ben er heel benieuwd naar.

 


Advertisements

caterpillar – rups

 

In mijn jeugd leefde ik tussen al die beestjes maar met ouder worden was ik verleerd om naar de natuur te kijken. Nu mijn leven zich weer meer op de natuur richt zag ik onlangs een goed gecamoufleerd rupsje zitten op een teder stengeltje.

***

Caterpillars have been called “eating machines”, and eat leaves voraciously. Most species shed their skin four or five times as their bodies grow, and they eventually pupate into an adult form. Caterpillars grow very quickly; for instance, a tobacco hornworm will increase its weight ten-thousandfold in less than twenty days. An adaptation that enables them to eat so much is a mechanism in a specialized midgut that quickly transports ions to the lumen (midgut cavity), to keep the potassium level higher in the midgut cavity than in the blood.

Most caterpillars are solely herbivorous. Many are restricted to one species of plant, while others are polyphagous. A few, including the clothes moth, feed on detritus. Most predatory caterpillars feed on eggs of other insects, aphids, scale insects, or ant larvae. Some are predatory, and others prey on caterpillars of other species (e.g. Hawaiian Eupithecia). A few are parasitic on cicadas or leaf hoppers. Some Hawaiian caterpillars (Hyposmocoma molluscivora) use silk traps to capture snails.

Many caterpillars are nocturnal. For example, the “cutworms” (of the Noctuidae family) hide at the base of plants during the day and only feed at night. Others, such as gypsy moth (Lymantria dispar) larvae, change their activity patterns depending on density and larval stage, with more diurnal feeding in early instars and high densities.

***

Rupsen moeten enorme hoeveelheden voedsel wegwerken omdat ze vaak bladeren eten waar niet veel energie in zit. Bovendien moeten ze sterk groeien; bij veel soorten is de bijna volgroeide rups duizenden keren groter en zwaarder dan een net uit het ei gekropen rups. Het zijn hiermee de snelst groeiende organismen uit het dierenrijk, een van de extreemste soorten wordt 10.000 keer zwaarder in minder dan 20 dagen. De energie die wordt opgeslagen wordt niet alleen gebruikt om de verandering van pop tot vlinder mogelijk te maken. Veel vlinders nemen geen voedsel meer op als ze uit de pop komen. Alle energie die wordt gebruikt om te vliegen, een partner te zoeken en zich voort te planten is bij deze soorten als rups bij elkaar gegeten.

Vrijwel alle rupsen hebben een waardplant, dit is de plant waar de rups van eet. Het hoeft geen aparte soort te zijn, soms zijn alle of veel soorten uit een geslacht of familie van planten ook goed. Voorbeelden zijn de dagpauwoog, waarvan de rupsen brandnetels eten. De rups van de Sint-jacobsvlinder leeft op jacobskruiskruid, de eikenprocessierups op de eik en de zijdevlinder op witte moerbei. Niet alle rupsen eten overigens plantendelen als bladeren, sommige eten dood materiaal (zoals de pels-en de kleermot) of jagen op prooidieren.

Rupsen vervellen meestal vier tot vijf keer in hun leven, iedere keer als ze uit hun jasje groeien barst de huid open. Ieder stadium wordt een ‘instar’ genoemd, veel soorten zien er als kleine rups anders uit dan in het laatste stadium. Daarna vindt verpopping plaats, en komt de volwassen vlinder tevoorschijn. De duur van het popstadium verschilt van enige dagen tot maanden, afhankelijk van de soort en de omstandigheden. Voornamelijk rupsen maar ook de poppen zijn gevoelig voor temperatuurschommelingen en een te hoge of lage luchtvochtigheid.

 

Bron/Source: wikipedia

this are damselflies – dit zijn juffers *3 pic

 

 

Hoe herken je een juffer?

  • lang, dun achterlijf
  • de vier vleugels hebben dezelfde vorm
  • de vleugels worden in rust meestal langs of boven het achterlijf samengeklapt
  • ogen gevormd als een halve bol en geplaatst aan de zijkanten van de kop
  • juffers zijn tengerder en gemiddeld kleiner dan (echte) libellen. Ze hebben meestal een zwakke vlucht en zitten het grootste deel van de tijd in de vegetatie.

 

***

 

DIFFERENCES BETWEEN DRAGONFLIES AND DAMSELFLIES

Characteristic Dragonfly Damselfly
Eyes most have eyes that touch, or nearly touch, at the top of the head eyes are clearly separated, usually appearing to each side of the head
Body usually stocky usually long and slender
Wing Shape dissimilar wing pairs, with hind wings broader at the base all wings similar in shape
Position at Rest wings held open, horizontally or downwards wings held closed, usually over abdomen
Discal Cell divided into triangles undivided, quadrilateral
Male Appendages pair of superior anal appendages, single inferior appendage two pairs of anal appendages
Female Appendages most have vestigial ovipositors functional ovipositors
Larvae breathe through rectal tracheal gills; stocky bodies breathe through caudal gills; slender bodies

dragonfly – echte libellen

 

 

 

Deze libelle heeft blijkbaar een zwaar leven achter de rug.

 

De echte libellen of ongelijkvleugeligen (Anisoptera) zijn een infraorde van grote insecten die samen met de infraorde oerlibellen de onderorde Epiprocta vormen. De tweede onderorde binnen de orde van de libellen (Odonata) zijn de juffers. Wereldwijd zijn bijna 3000 soorten echte libellen beschreven.

Bij de echte libellen zijn de achtervleugels breder dan de voorvleugels, weerspiegeld in de naam Anisoptera (ongelijkvleugeligen). De voor- en achtervleugels zijn bij de juffers gelijk, wat ook de betekenis van de naam Zygoptera is. Ook de rustpositie is anders; juffers vouwen deze tegen elkaar achter het lichaam, echte libellen spreiden de vleugels in rust. Echte libellen zijn ware vliegkunstenaars, meer dan juffers.

Echte libellen worden over het algemeen groter (in Nederland en België van 29 tot 84 mm) dan juffers (25 tot 49 mm). De larven hebben dan ook meer tijd nodig om volgroeid te raken dan de larven van juffers. Een enkele soort kan de larvale cyclus in een paar maanden afronden, maar bij de meeste soorten overwinteren de larven 1-3 maal (5 komt echter ook voor). De imago leeft bij de ongelijkvleugeligen altijd slechts een paar weken of maanden.

Juffers zijn fijner gebouwd en ranker; het achterlijf is altijd rond en dun, bij echte libellen is het achterlijf dikker en soms plat. Ook de ogen verschillen; die van libellen zijn veel groter en raken elkaar, behalve bij de rombouten. De ogen van juffers zijn relatief minder groot en staan verder uit elkaar.

Bron: wikipedia

larva skin – larvenhuidjes

 

Ik vroeg mij af wat dit was, het bewoog niet, bleef hangen en ik wou het toch niet stuk maken. Even mijn licht opsteken bij Klaproos en ja juist, zij had er onlangs nog een blogje overgemaakt. HIER kan je de bijna hele ontwikkeling zien.

 

 

Libellen zijn fascinerende insecten. Hoewel de meeste belangstelling voor libellen uitgaat naar de vliegende imago’s, brengen libellen veruit het grootste deel van hun levenscyclus onder water door als larve. Als die het water verlaat en voor het laatst vervelt, blijft een visitekaartje achter: het larvenhuidje.

Bron: vlindernet

mating dragonflies – parende libellen (18+ ðŸ˜„)

 

Ik moest twee keer kijken wat er mij voorbij gevlogen was en daar nu op de grond lag.

 

Paren
De paring verloopt bij libellen niet zachtzinnig. Vrouwtjes die zich in de buurt van het water wagen, worden direct door een mannetje gegrepen voor de paring. Dit doet hij door met zijn achterlijfsaanhangselen het vrouwtje beet te pakken bij het halsschild (juffers) of achter de kop (libellen). Vaak gaat dit gepaard met een worsteling in de lucht. Als het mannetje hierin slaagt ontstaat de zogenaamde tandempositie, waarbij het vrouwtje dus achter het mannetje aanbungelt. Samen vliegen ze verder, om de paring in bomen of in de oevervegetatie te voltooien. Bij sommige soorten wordt de paring in de lucht voltooid.

In de volgende fase van de paring ontstaat het kenmerkende, hartvormige paringsrad (ook wel copula genoemd): het vrouwtje brengt haar achterlijfspunt naar de onderkant van het achterlijf van het mannetje, vlak achter het borststuk. Hier bevindt zich namelijk het secundaire geslachtorgaan van het mannetje, waar een spermapakketje ligt opgeslagen. Dit spermapakketje heeft het mannetje zelf overgebracht van het primaire geslachtsorgaan (in de achterlijfspunt), naar het secundaire geslachtsorgaan. Als het paringsrad tot stand is gekomen vindt de uitwisseling van sperma plaats. Echter niet voordat het mannetje het sperma van een eventueel vorig mannetje uit het lichaam van het vrouwtje heeft gehaald, met behulp van een speciaal borstelvormig orgaantje in het secundair geslachtsorgaan.

Vrouwtjes lijken weerloos tegen het paringsgeweld van het mannetje, maar schijn bedriegt. Vrouwtjes die niet tot paring bereid zijn, slagen er meestal wel in om de tandempositie of copula te verbreken. Ook wanneer het sperma van een vorig mannetje wordt verwijderd, kan het vrouwtje toch een deel van het sperma achterhouden en dus bepalen welk mannetje haar eitjes bevrucht.

 

Bron: http://www.libellennet.nl