hello swans – dag zwanen (3 foto’s)

 

Dag zwanen
En dan de zwanen nog, wat zeg je van de zwanen
‘t is niet bepaald een Topic of the Day
Maar ach ik loop een beetje langs de lanen
En zie er twee

Achthonderd dichters hebben al gezegd
Dat ze zo roerloos op de waterspiegel drijven
En dat ze statig zijn, jazeker, en terecht.
Ik hoef dat dus niet nog eens op te schrijven

 

 

Maar wat mij altijd opvalt in zo’n zwaan
Hij heeft het allemaal allang bekeken
Noch Billy Graham noch McCarthy gaat hem aan
Hij wil er dan ook met geen woorden over spreken.

Hij twijfelt niet wat hij moet doen in z’n gezin
Hij weet het allemaal vanzelf, daar in dat water
En hij zegt nooit tot zijn hooghartige vriendin:
Het ligt aan jou, je moet eens naar de psychiater.

 

 

Dat is dus zeer benijdenswaardig, en we moeten
Meer over zwanen praten en vooral een keer
naar het plantsoen gaan en ze heel eerbiedig groeten.
Dag zwanen. Kom daar gaan we dan maar weer.

Uit “Tot hier toe” van Annie M. G. Schmidt

Advertisements

water beetle – het schrijverke

 

Het schrijverke

O krinklende winklende waterding,
Met ‘t zwarte kabotseken aan,
Wat zien ik toch geren uw kopke flink
Al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,
Al zie ‘k u noch arrem noch been;
Gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,
Al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
Dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
En ‘t water niet méér en verroert
Dan of het een gladdige windtje waar,
Dat stille over ‘t waterke voert.
O schrijverkes, schrijverkes zegt mij dan, –
Met twintigen zijt gij en meer,
En is er geen een die ‘t mij zeggen kan: –
Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
Gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
Geen Christen en weet er wat dat bediedt:
Och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
Of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
Of is ‘et het blauwe gewelf,
Dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
Of is het u, schrijverken, zelf?
En ‘t krinklende winklende waterding,
Met ‘t zwarte kapoteken aan,
Het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
En ‘t bleef daar een stondeke staan:
‘Wij schrijven.’ zoo sprak het, ‘al krinklen af
Het gene onze Meester, weleer,
Ons makend en leerend, te schrijven gaf,
Eén lesse, niet min nochte meer;
Wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
Niet lezen, en zijt gij zoo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
Den heiligen Name van God!’

Guido Gezelle, 1857