goldenrod crab spider – gewone kameleonspin

Gewone kameleonspin (Misumena vatia)

De gewone kameleonspin behoort tot de familie van de krabspinnen. Dat zijn “afwachtende jagers” die geen web weven, maar vaak urenlang roerloos zitten te wachten tot een prooi dicht genoeg genaderd is, om dan toe te slaan en direct hun gif te injecteren. Krabspinnen maken bij het bijten kleine gaatjes in de prooi. Daardoor zuigen ze het insect leeg zodat er na de maaltijd enkel nog een leeg omhulsel overblijft.

De gewone kameleonspin heeft de bijzondere eigenschap dat ze, zoals een kameleon, van kleur kan veranderen. Ze gaat meestal op gele of witte bloemen zitten en kan dan zelf ook een gele of witte kleur aannemen. Dat duurt soms wel enkele dagen. Dit is vooral een goede camouflage om aanvallers zoals vogels te misleiden. Of insecten haar ook minder goed opmerken door deze camouflage is niet zeker. De meeste insecten zien kleuren immers niet zoals mensen of vogels ze zien. Wel zeker is dat ze de spin meestal niet opmerken. Soms zie je hoe bijvoorbeeld een bij of een vlinder achteloos over de spin loopt om dan genadeloos gegrepen te worden. De gewone kameleonspin werd in 2006 verkozen tot ‘Europese Spin van het jaar’. Lichaamslengte (mannetje/vrouwtje): 3-4mm/9-11mm

***

 

These spiders may be yellow or white, depending on the flower in which they are hunting. Especially younger females, which may hunt on a variety of flowers such as daisies and sunflowers, may change color at will. Older females require large amounts of relatively large prey to produce the best possible clutch of eggs. They are therefore, in North America, most commonly found in goldenrod (Solidago sp.), a bright yellow flower which attracts large numbers of insects, especially in autumn. It is often very hard even for a searching human to recognize one of these spiders on a yellow flower. These spiders are sometimes called banana spiders because of their striking yellow color.

bruin zandoogje – meadow brown *2 photos

Het bruin zandoogje (Maniola jurtina)

Het bruin zandoogje is een graslandvlinder die in hooilanden in enorme dichtheden kan voorkomen.

Hoe kan je het bruin zandoogje herkennen?

  • Zandoogjes zijn middelgrote vlinders die hun naam danken aan zwarte vlekken met witte kern (‘oogjes’) die ze vertonen. Bij het bruin zandoogje zie je die vlek nabij de punt van de voorvleugel.
  • Het bruin zandoogje heeft een spanwijdte van 40 tot 48 mm.
  • In tegenstelling tot wat zijn naam doet vermoeden, vertoont het bruin zandoogje vaak ook wat oranje (een zandoogje met oranje is dus niet altijd een oranje zandoogje). Op de onderkant van de voorvleugel zie je ook oranje. Bovendien heeft een vrouwtje bruin zandoogje op de bovenzijde nabij de voorvleugelpunt ook wat oranje (te zien wanneer de vleugels open gehouden worden). De achtervleugels zijn bij bruin zandoogje volledig bruin.
  • Een veelgehoord kenmerk is de zwarte oogvlek: die heeft bij het bruin zandoogje doorgaans één witte kern; bij het oranje zandoogje zijn dat er meestal twee. Dit kenmerk is niet waterdicht: geregeld kom je uitzonderingen tegen (bijv. dit bruin zandoogje met twee witte kernen).
  • Het beste kenmerk zijn de vlekjes op de onderzijde van de achtervleugel (te zien wanneer de vlinder zijn vleugels gesloten houdt). Bij het oranje zandoogje zie je er enkele kleine witte vlekjes. Bij het bruin zandoogje zijn er enkele minuscule zwarte vlekjes of ontbreken vlekjes volledig.
  • De groene rups wordt maar zeer zelden gezien.

 

bron: http://www.natuurpunt.be

caterpillar – rups

 

In mijn jeugd leefde ik tussen al die beestjes maar met ouder worden was ik verleerd om naar de natuur te kijken. Nu mijn leven zich weer meer op de natuur richt zag ik onlangs een goed gecamoufleerd rupsje zitten op een teder stengeltje.

***

Caterpillars have been called “eating machines”, and eat leaves voraciously. Most species shed their skin four or five times as their bodies grow, and they eventually pupate into an adult form. Caterpillars grow very quickly; for instance, a tobacco hornworm will increase its weight ten-thousandfold in less than twenty days. An adaptation that enables them to eat so much is a mechanism in a specialized midgut that quickly transports ions to the lumen (midgut cavity), to keep the potassium level higher in the midgut cavity than in the blood.

Most caterpillars are solely herbivorous. Many are restricted to one species of plant, while others are polyphagous. A few, including the clothes moth, feed on detritus. Most predatory caterpillars feed on eggs of other insects, aphids, scale insects, or ant larvae. Some are predatory, and others prey on caterpillars of other species (e.g. Hawaiian Eupithecia). A few are parasitic on cicadas or leaf hoppers. Some Hawaiian caterpillars (Hyposmocoma molluscivora) use silk traps to capture snails.

Many caterpillars are nocturnal. For example, the “cutworms” (of the Noctuidae family) hide at the base of plants during the day and only feed at night. Others, such as gypsy moth (Lymantria dispar) larvae, change their activity patterns depending on density and larval stage, with more diurnal feeding in early instars and high densities.

***

Rupsen moeten enorme hoeveelheden voedsel wegwerken omdat ze vaak bladeren eten waar niet veel energie in zit. Bovendien moeten ze sterk groeien; bij veel soorten is de bijna volgroeide rups duizenden keren groter en zwaarder dan een net uit het ei gekropen rups. Het zijn hiermee de snelst groeiende organismen uit het dierenrijk, een van de extreemste soorten wordt 10.000 keer zwaarder in minder dan 20 dagen. De energie die wordt opgeslagen wordt niet alleen gebruikt om de verandering van pop tot vlinder mogelijk te maken. Veel vlinders nemen geen voedsel meer op als ze uit de pop komen. Alle energie die wordt gebruikt om te vliegen, een partner te zoeken en zich voort te planten is bij deze soorten als rups bij elkaar gegeten.

Vrijwel alle rupsen hebben een waardplant, dit is de plant waar de rups van eet. Het hoeft geen aparte soort te zijn, soms zijn alle of veel soorten uit een geslacht of familie van planten ook goed. Voorbeelden zijn de dagpauwoog, waarvan de rupsen brandnetels eten. De rups van de Sint-jacobsvlinder leeft op jacobskruiskruid, de eikenprocessierups op de eik en de zijdevlinder op witte moerbei. Niet alle rupsen eten overigens plantendelen als bladeren, sommige eten dood materiaal (zoals de pels-en de kleermot) of jagen op prooidieren.

Rupsen vervellen meestal vier tot vijf keer in hun leven, iedere keer als ze uit hun jasje groeien barst de huid open. Ieder stadium wordt een ‘instar’ genoemd, veel soorten zien er als kleine rups anders uit dan in het laatste stadium. Daarna vindt verpopping plaats, en komt de volwassen vlinder tevoorschijn. De duur van het popstadium verschilt van enige dagen tot maanden, afhankelijk van de soort en de omstandigheden. Voornamelijk rupsen maar ook de poppen zijn gevoelig voor temperatuurschommelingen en een te hoge of lage luchtvochtigheid.

 

Bron/Source: wikipedia

this are damselflies – dit zijn juffers *3 pic

 

 

Hoe herken je een juffer?

  • lang, dun achterlijf
  • de vier vleugels hebben dezelfde vorm
  • de vleugels worden in rust meestal langs of boven het achterlijf samengeklapt
  • ogen gevormd als een halve bol en geplaatst aan de zijkanten van de kop
  • juffers zijn tengerder en gemiddeld kleiner dan (echte) libellen. Ze hebben meestal een zwakke vlucht en zitten het grootste deel van de tijd in de vegetatie.

 

***

 

DIFFERENCES BETWEEN DRAGONFLIES AND DAMSELFLIES

Characteristic Dragonfly Damselfly
Eyes most have eyes that touch, or nearly touch, at the top of the head eyes are clearly separated, usually appearing to each side of the head
Body usually stocky usually long and slender
Wing Shape dissimilar wing pairs, with hind wings broader at the base all wings similar in shape
Position at Rest wings held open, horizontally or downwards wings held closed, usually over abdomen
Discal Cell divided into triangles undivided, quadrilateral
Male Appendages pair of superior anal appendages, single inferior appendage two pairs of anal appendages
Female Appendages most have vestigial ovipositors functional ovipositors
Larvae breathe through rectal tracheal gills; stocky bodies breathe through caudal gills; slender bodies

dragonfly – echte libellen

 

 

 

Deze libelle heeft blijkbaar een zwaar leven achter de rug.

 

De echte libellen of ongelijkvleugeligen (Anisoptera) zijn een infraorde van grote insecten die samen met de infraorde oerlibellen de onderorde Epiprocta vormen. De tweede onderorde binnen de orde van de libellen (Odonata) zijn de juffers. Wereldwijd zijn bijna 3000 soorten echte libellen beschreven.

Bij de echte libellen zijn de achtervleugels breder dan de voorvleugels, weerspiegeld in de naam Anisoptera (ongelijkvleugeligen). De voor- en achtervleugels zijn bij de juffers gelijk, wat ook de betekenis van de naam Zygoptera is. Ook de rustpositie is anders; juffers vouwen deze tegen elkaar achter het lichaam, echte libellen spreiden de vleugels in rust. Echte libellen zijn ware vliegkunstenaars, meer dan juffers.

Echte libellen worden over het algemeen groter (in Nederland en België van 29 tot 84 mm) dan juffers (25 tot 49 mm). De larven hebben dan ook meer tijd nodig om volgroeid te raken dan de larven van juffers. Een enkele soort kan de larvale cyclus in een paar maanden afronden, maar bij de meeste soorten overwinteren de larven 1-3 maal (5 komt echter ook voor). De imago leeft bij de ongelijkvleugeligen altijd slechts een paar weken of maanden.

Juffers zijn fijner gebouwd en ranker; het achterlijf is altijd rond en dun, bij echte libellen is het achterlijf dikker en soms plat. Ook de ogen verschillen; die van libellen zijn veel groter en raken elkaar, behalve bij de rombouten. De ogen van juffers zijn relatief minder groot en staan verder uit elkaar.

Bron: wikipedia

larva skin – larvenhuidjes

 

Ik vroeg mij af wat dit was, het bewoog niet, bleef hangen en ik wou het toch niet stuk maken. Even mijn licht opsteken bij Klaproos en ja juist, zij had er onlangs nog een blogje overgemaakt. HIER kan je de bijna hele ontwikkeling zien.

 

 

Libellen zijn fascinerende insecten. Hoewel de meeste belangstelling voor libellen uitgaat naar de vliegende imago’s, brengen libellen veruit het grootste deel van hun levenscyclus onder water door als larve. Als die het water verlaat en voor het laatst vervelt, blijft een visitekaartje achter: het larvenhuidje.

Bron: vlindernet

mating dragonflies – parende libellen (18+ 😄)

 

Ik moest twee keer kijken wat er mij voorbij gevlogen was en daar nu op de grond lag.

 

Paren
De paring verloopt bij libellen niet zachtzinnig. Vrouwtjes die zich in de buurt van het water wagen, worden direct door een mannetje gegrepen voor de paring. Dit doet hij door met zijn achterlijfsaanhangselen het vrouwtje beet te pakken bij het halsschild (juffers) of achter de kop (libellen). Vaak gaat dit gepaard met een worsteling in de lucht. Als het mannetje hierin slaagt ontstaat de zogenaamde tandempositie, waarbij het vrouwtje dus achter het mannetje aanbungelt. Samen vliegen ze verder, om de paring in bomen of in de oevervegetatie te voltooien. Bij sommige soorten wordt de paring in de lucht voltooid.

In de volgende fase van de paring ontstaat het kenmerkende, hartvormige paringsrad (ook wel copula genoemd): het vrouwtje brengt haar achterlijfspunt naar de onderkant van het achterlijf van het mannetje, vlak achter het borststuk. Hier bevindt zich namelijk het secundaire geslachtorgaan van het mannetje, waar een spermapakketje ligt opgeslagen. Dit spermapakketje heeft het mannetje zelf overgebracht van het primaire geslachtsorgaan (in de achterlijfspunt), naar het secundaire geslachtsorgaan. Als het paringsrad tot stand is gekomen vindt de uitwisseling van sperma plaats. Echter niet voordat het mannetje het sperma van een eventueel vorig mannetje uit het lichaam van het vrouwtje heeft gehaald, met behulp van een speciaal borstelvormig orgaantje in het secundair geslachtsorgaan.

Vrouwtjes lijken weerloos tegen het paringsgeweld van het mannetje, maar schijn bedriegt. Vrouwtjes die niet tot paring bereid zijn, slagen er meestal wel in om de tandempositie of copula te verbreken. Ook wanneer het sperma van een vorig mannetje wordt verwijderd, kan het vrouwtje toch een deel van het sperma achterhouden en dus bepalen welk mannetje haar eitjes bevrucht.

 

Bron: http://www.libellennet.nl

carrion crow – zwarte kraai

 

Na de (Vlaamse) gaai kwam ik een iets gevaarlijker vogel tegen en daar ze onlangs vanuit onze gemeente in het nationale nieuws kwamen, wegens aanvallen op mensen ter bescherming van hun nesten, bleef ik op mijn hoede. De vogel had echter geen slechte bedoelingen.

 

 

Kraaien leven meer solitair dan roeken en kauwen. Het zijn intelligente vogels die zich makkelijk aanpassen aan verschillende diëten; ze zijn van alle markten thuis maar wel vrij schuw en duidelijk moeilijker te benaderen dan kauwen. In kleine tuinen zal je ze niet vaak zien. Ze eten o.a. wormen, insecten, fruit, zaden, keukenafval, eieren en jonge vogels. Ze foerageren meestal in paren, meer zelden in wat grotere groepen, vooral op weide- en akkerbouwland, niet in dichtbegroeid landschap. Kraaien hebben een reputatie als jagers van kleine vogeltjes en nestenuithalers en werden om die reden in het verleden vaak genadeloos vervolgd. Er zijn meldingen van aanvallen op levende vogels (spreeuwen, houtduif en kievit) die in vlucht tot landen werden gedwongen en dood gepikt en opgegeten. Daardoor fungeren ze als een natuurlijke predator van vogelpopulaties. Het zijn ook aaseters die foerageren op doodgereden dieren langs de weg.

 

The plumage of carrion crow is black with a green or purple sheen, much greener than the gloss of the rook. The bill, legs and feet are also black. It can be distinguished from the common raven by its size (48–52 cm or 19 to 20 inches in length as compared to an average of 63 centimetres (25 inches) for ravens) and from the hooded crow by its black plumage, but there is frequent confusion between it and the rook. It has a wingspan of 84–100 cm or 33 to 39 inches. The beak of the crow is stouter and in consequence looks shorter, and whereas in the adult rook the nostrils are bare, those of the crow are covered at all ages with bristle-like feathers.

eurasian jay – (Vlaamse) gaai * 2 pic

 

Hèhè het is mij eindelijk gelukt om nog eens een vogel in de vrije natuur te fotograferen en dan nog de (Vlaamse) gaai! Ofwel zijn er dit jaar meer vogels ofwel zie ik ze beter vliegen na mijn cataract operatie :-). In elk geval kan die vogel mij qua schoonheid nog altijd bekoren.

 

De gaai is 32 tot 35 cm lang. De vogel is overwegend grijsbruin met een roze tint. De keel, onderbuik, anaalstreek, de stuit en een gedeelte van de handpennen zijn wit. Kenmerkend zijn een brede zwarte snorstreep en een blauw vleugelveld dat bestaat uit lichtblauwe veertjes met daarin een fijne, zwarte bandering. De vogel kan bij opwinding de kruinveren opzetten, deze zijn afwisselend licht van kleur met zwart.

 

 

The Eurasian jay (Garrulus glandarius) is a species of bird occurring over a vast region from Western Europe and north-west Africa to the Indian Subcontinent and further to the eastern seaboard of Asia and down into south-east Asia. Across its vast range, several very distinct racial forms have evolved to look very different from each other, especially when forms at the extremes of its range are compared.

The bird is called jay, without any epithets, by English speakers in Great Britain and Ireland. It is the original ‘jay’ after which all others are named.